ochtendstond

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • och·tend·stond
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ochtendstond ochtendstonden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

ochtendstond m

  1. begin van de morgen
  2. (verouderd) uur waarop de dag aanbreekt
  3. (figuurlijk) eerste begin
Spreekwoorden
  • De ochtendstond heeft goud in de mond.
Al vroeg in de morgen beginnen met werken levert meer op.

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen