ochtendlijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • och·tend·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen ochtendlijk ochtendlijker ochtendlijkst
verbogen ochtendlijke ochtendlijkere ochtendlijkste
partitief ochtendlijks ochtendlijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

ochtendlijk

  1. in de ochtend; betrekking hebbend op de ochtend
    • Zoals hij hechtte aan de ochtendlijke intimiteiten met zijn moeder... [1] 
    • Als Andy nog voor z’n ochtendlijk tripje naar de hei al de Happinez van de mat kan pakken, hoe vroeg komt de postbode dan? [2] 

Gangbaarheid

52 % van de Nederlanders;
78 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Heijden, A.F.TH. van der "Tonio" 2011 ISBN 9789023459545 pagina 199
  2. HP de Tijd 11/01 | 2014 door:Frank Heinen Genieten van de pure koffie van Andy van der Meijde