uitwas

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·was
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord uitwas uitwassen
verkleinwoord uitwasje uitwasjes

Zelfstandig naamwoord

uitwas m / o [1]

  1. wat naar buiten uitgroeit
  2. ongewenste of ziekelijke ontwikkeling
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
uitwassen

uitwas

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitwassen
    • ... dat ik uitwas. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Verwijzingen