gewaagd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·waagd
Woordherkomst en -opbouw
  • [B]: vervoeging van gewagen: de stam met de uitgang -d, zonder ge- vanwege voorvoegsel

Werkwoord

vervoeging van: wagen…
verbogen vorm: gewaagde

[A] gewaagd

  1. voltooid deelwoord van wagen
  2. vormt de voltooide tijden
    • Zij hebben voor mij hun leven gewaagd. 
  3. vormt de lijdende vorm
    • Morgen wordt een nieuwe poging gewaagd. 
  4. attributief gebruikt
    • De brandweer moest een gewaagde actie ondernemen om de mensen uit het brandende huis te krijgen. 
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen gewaagd gewaagder gewaagdst
verbogen gewaagde gewaagdere gewaagdste
partitief gewaagds gewaagders -

Bijvoeglijk naamwoord

[A] gewaagd

  1. verbonden met een flink risico, gedurfd, riskant
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van: gewagen…
geen verbogen vorm

[B] gewaagd

  1. voltooid deelwoord van gewagen
  2. vormt de onpersoonlijke lijdende vorm
    • Er is gewaagd van “verarming” in het politieke gesprek. [2]

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen