gewaagd

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·waagd
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen gewaagd gewaagder gewaagdst
verbogen gewaagde gewaagdere gewaagdste
partitief gewaagds gewaagders -

Bijvoeglijk naamwoord

gewaagd [1]

  1. verbonden met een flink risico, gedurfd, riskant
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

Woordherkomst en -opbouw
  • vervoeging van gewagen: de stam met de uitgang -d, zonder ge- vanwege voorvoegsel
vervoeging van
gewagen

gewaagd

  1. voltooid deelwoord van gewagen

Deelwoord

Woordherkomst en -opbouw
deelwoord
onverbogen gewaagd
verbogen gewaagde
vervoeging van
wagen

gewaagd voltooid deelwoord van wagen

  1. vormt de voltooide tijden
    • Zij hebben voor mij hun leven gewaagd. 
  2. vormt de lijdende vorm
    • Morgen wordt een nieuwe poging gewaagd. 
  3. attributief gebruikt
    • De brandweer moest een gewaagde actie ondernemen om de mensen uit het brandende huis te krijgen. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen