bakwagen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

bakwagen
Uitspraak
Woordafbreking
  • bak·wa·gen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bakwagen bakwagens
verkleinwoord bakwagentje bakwagentjes

Zelfstandig naamwoord

bakwagen m [1]

  1. vrachtwagen waarbij de bak vast zit aan de cabine
    • Een bakwagen is een vrachtwagen waarbij de bak vast zit aan de cabine, anders dan de oplegger, die een draaipunt kent tussen beide. In het dagelijks leven rijdt Wielens voor zijn werkgever GO&T Wibbelink in Goor in een truck met oplegger. Om met zo’n wagen mee te doen op het kampioenschap, ziet hij niet zo zitten. „In die categorie doen al genoeg jongens mee.” [2] 
    • Een auto is vrijdag aan het eind van de middag in Ambt Delden achterop een bakwagen geknald. Het ongeluk gebeurde op de N346. [3] 
  2. kruiwagen

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen