woonwagen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • woon·wa·gen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord woonwagen woonwagens
verkleinwoord woonwagentje woonwagentjes

Zelfstandig naamwoord

woonwagen m

  1. Een woning op wielen.
    • In Nederland verstaat men onder woonwagen meestal het soort woningen op wielen dat door woonwagenbewoners wordt gebruikt. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie