aanhangwagen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Aanhangwagen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·hang·wa·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘wagen die door andere wordt voortgetrokken’ voor het eerst aangetroffen in 1934 [1]
  • samenstelling van  aanhang ww  en  wagen  [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord aanhangwagen aanhangwagens
verkleinwoord aanhangwagentje aanhangwagentjes

Zelfstandig naamwoord

aanhangwagen m

  1. (verkeer) een wagen die gekoppeld wordt achter een aangedreven wagen en zo vooruitgetrokken wordt
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen