bluswagen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

bluswagen
Uitspraak
Woordafbreking
  • blus·wa·gen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bluswagen bluswagens
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bluswagen m

  1. (vracht)auto met benodigdheden voor het doven van een brand
    • Aafke liet niet alleen haar woning, maar ook haar man voor zes dagen achter. Hij runt het bedrijf sinds 2010, drie jaar voordat hij een relatie kreeg met Aafke. Het is zijn lust en zijn leven; weggaan was geen optie. Als hij op de volgende dagen vijf uurtjes sliep, was het veel. Samen met een stagiair en een achtergebleven gast hielp hij de brandweer met blussen. De mannen bouwden zelfs eigenhandig een soort bluswagen om de vlammen te bestrijden. [1] 
    • De brandweer heeft veel moeite om het vuur onder controle te krijgen. ‘De temperatuur daalt amper en er staat een stevige wind’, aldus Wayne Gregson van de brandweerdienst van West-Australië op een persconferentie. Vier brandweermannen raakten al gewond en een bluswagen vernield, bericht de Britse zender BBC. [2] 
    • 'Werkmateriaal en een bluswagen werden ernstig beschadigd', zegt de staatssecretaris. 'De DBDMH zal een klacht indienen tegen onbekenden voor de beschadiging van het materiaal en de agressie tegen de brandweerlieden. [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Verwijzingen