renwagen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

[2] de DAF-renwagen
Uitspraak
Woordafbreking
  • ren·wa·gen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord renwagen renwagens
verkleinwoord renwagentje renwagentjes

Zelfstandig naamwoord

renwagen m [1]

  1. door paarden getrokken wagen die men gebruikt bij een wedstrijd
    • In de aflevering met Mary Dresselhuys ging het overigens óók over een verboden liefde. Een adellijke weduwe beziet de tuinman op zijn tractor... zo bespiedt Phaedra prins Hippolytus op zijn renwagen. [2] 
    • Kinderen maken een rit in de Romeinse renwagen, doen mee met allerlei spellen, leren Latijn in de Romeinse school en tonen hun creatieve talenten. [3] 
  2. raceauto
    • Enzo Ferrari zag de motor nog als het belangrijkste deel van een renwagen, niet het chassis. Maar de geavanceerde aerodynamica heeft de Formule I-wereld volledig op zijn kop gezet. [4] 
    • Maar ook virtueel racen in de BMW-renwagen van Formule 1-coureur Nick Heidfeld in de beruchte Nordschleife, het bochtenstelsel op de Nürburgring, is een absolute topper onder de jeugd. [5] 
Synoniemen

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen