tankwagen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

tankwagn
Uitspraak
Woordafbreking
  • tank·wa·gen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tankwagen tankwagens
verkleinwoord tankwagentje tankwagentjes

Zelfstandig naamwoord

tankwagen m [1]

  1. een vrachtwagen waarmee men vloeistoffen, gassen of poeders kan vervoeren in een grote tank die deel uitmaakt van de vrachtwagen
    • De tankwagen bevat volgens het gedupeerde transportbedrijf een onschuldig oliezuur, waarmee zeep, tandpasta en scheerschuim wordt gemaakt.[2] 
    • Zeker zes mensen, onder wie een gezin, zijn dinsdag in Italië om het leven gekomen door een ongeval waarbij een tankwagen vlam vatte.[3] 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 23 jan. 2018
  3. de Telegraaf 02 jan. 2018