waag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Waag in Amsterdam
Uitspraak
Woordafbreking
  • waag
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘weegtoestel’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord waag wagen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

waag v / m [3]

  1. plaats waar vroeger van overheidswege handelsgoederen gewogen werden, waaggebouw
  2. toestel om te wegen, weegschaal
Verwante begrippen
Hyponiemen
Vertalingen


Werkwoord

vervoeging van
wagen

waag

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wagen
    • Ik waag. 
  2. gebiedende wijs van wagen
    • Waag! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wagen
    • Waag je? 


Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
92 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen