kampeerwagen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

volkswagenbusje als kampeerwagen
Uitspraak
Woordafbreking
  • kam·peer·wa·gen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kampeerwagen kampeerwagens
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

kampeerwagen m

  1. een auto waarin je kunt overnachten
    • La lutte contre les drogues heeft de handelaren doen omkijken naar andere koeriers. Mannen als Sjaak G. liepen te veel in de gaten. Sjaak is dan ook een smokkelaar van de oude stempel; een blanke vrachtwagenchauffeur die met enkele honderden of duizenden kilo's hasj in zijn wagen de oversteek naar het veertien kilometer verderop gelegen Spanje waagde. De 'nieuwe' koerier is veelal een oudere man, die in zijn kampeerwagen niet meer dan vijftig, zestig kilo mee neemt. Zo zitten momenteel twee Nederlandse broers vast in Marokko wegens hasjsmokkel: vijftig en zeventig jaar oud. [1] 
  2. een aanhangwagen waarin je kunt overnachten
    • In Nederland reden in de jaren dertig slechts enkele tienduizenden auto's rond en caravans waren een rariteit. De eerste Nederlandse caravan - een Hano - dateert echter al van 1927. Een jaar daarvoor had de heer D. van Haren Noman al een vouw-kampeerwagen ontworpen. Carl Denig was in die tijd agent voor het Britse merk Hutchings. [2] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1. NRC Yaël Vinckx 21 juni 1997
  2. NRC Bram Pols 27 mei 1995