cuma

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Angelsaksisch

Zelfstandig naamwoord

cuma m

  1. gast
  2. vreemdeling


Indonesisch

Woordafbreking
  • cu·ma
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

cuma

  1. alleen (maar), enkel, slechts (enige)
Synoniemen


Turks

Uitspraak
Woordafbreking
  • cu·ma
enkelvoud meervoud
nominatief   cuma     cumalar  
genitief   cumanın     cumaların  
datief   cumaya     cumalara  
accusatief   cumayı     cumaları  
locatief   cumada     cumalarda  
ablatief   cumadan     cumalardan  

Zelfstandig naamwoord

cuma

  1. vrijdag
  2. (religie) vrijdaggebed
Synoniemen


Dagen in het Turks
pazartesi
maandag
salı
dinsdag
çarşamba
woensdag
perşembe
donderdag
cuma
vrijdag
cumartesi
zaterdag
pazar
zondag