station

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Het station van Zwijndrecht (B)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sta·ti·on
enkelvoud meervoud
naamwoord station stations
verkleinwoord stationnetje stationnetjes

Zelfstandig naamwoord

station o

  1. (spoorwegen), (verkeer) plaats waar voertuigen (met name treinen) kunnen stoppen voor het in- en uitstappen van reizigers en het in- en uitladen van goederen
    Kunt u mij zeggen waar het station is?
  2. (media) een zender die radio- of televisieprogramma's uitzendt
    Zet eens een ander station op, dit is niet te pruimen.
  3. meer algemeen: inrichting waar iets gebeurd (zoals een fokstation, keuringsstation etc.)
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Gangbaarheid
100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Zweeds

Uitspraak
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   station     stationen     stationer     stationerna  
genitief   stations     stationens     stationers     stationernas  

Zelfstandig naamwoord

station g

  1. (spoorwegen), (verkeer) station
Verwante begrippen