onderbreking

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·der·bre·king
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord onderbreking onderbrekingen
verkleinwoord onderbrekinkje onderbrekinkjes

Zelfstandig naamwoord

onderbreking v

  1. een tijdelijk staken van activiteit door een onverwachte gebeurtenis
    • Een onderbreking verstoorde de vergadering. 
  2. een kort ophouden van bezigheden als pauze
    • Het toneel herbegon na een korte onderbreking tijdens dewelke velen naar het toilet gingen. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.