basis

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·sis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord basis bases, basissen
verkleinwoord basisje basisjes

Zelfstandig naamwoord

basis v

  1. grondslag
    • Als de basis goed is kan iets best tot een goed einde komen. 
  2. (militair) militaire nederzetting
    • Een legeronderdeel is gehuisvest in een basis. 
  3. (bouwkunde) datgene waarop een lichaam steunt of rust, grondvlak, fundament, fundering
    • Hoewel de de basis van een gebouw niet of nauwelijks ziet is het wel van het grootste belang. 
  4. (wiskunde) grondvlak of grondlijn van een wiskundige figuur
    • De oppervlakte van een driehoek is basis maal halve hoogte. 
  5. (wiskunde) grondgetal van een talstelsel
    • 10 is de basis van het tientalligstelsel. 
  6. (sport) spelersgroep die aan een wedstrijd begint
    • Hij zit in de basis van het eerste elftal. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord basis basisse

Zelfstandig naamwoord

basis

  1. basis


Engels

enkelvoud meervoud
basis bases

Zelfstandig naamwoord

basis

  1. draagvlak


Indonesisch

Woordafbreking
  • ba·sis
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

basis

  1. basis
Synoniemen