basisstation

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·sis·sta·ti·on
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord basisstation basisstations
verkleinwoord basisstationnetje basisstationnetjes

Zelfstandig naamwoord

basisstation o

  1. thuisbasis
    • De bergbeklimmers installeerden eerst het basisstation voordat ze verder konden klimmen. 
  2. een vast steunpunt voor verder draadloos systeem
    • De router is het basisstation voor het wifinetwerk in huis. 

Gangbaarheid