geschiedenis

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·schie·de·nis
Woordherkomst en -opbouw
[1] enkelvoud meervoud
naamwoord geschiedenis geschiedenissen
verkleinwoord (geschiedenisje) (geschiedenisjes)
[2], [3] enkelvoud meervoud
naamwoord geschiedenis -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

geschiedenis v

  1. een verhaal dat het geheel gebeurtenissen rond een bepaald persoon of entiteit beschrijft
    • De geschiedenis van de zondvloed is niet alleen uit de Bijbel bekend. 
  2. het geheel van gebeurtenissen van het verleden
    • De geschiedenis van deze stad is bijzonder lang. 
  3. (wetenschap) de wetenschap die de gebeurtenissen van het verleden beschrijft, geschiedkunde
    • Hij studeert al enige tijd geschiedenis. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie