pauze

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pau·ze
enkelvoud meervoud
naamwoord pauze pauzen
pauzes
verkleinwoord pauzetje pauzetjes

Zelfstandig naamwoord

pauze v/m

  1. tijd waarin de hoofdactiviteit wordt onderbroken
    In de pauze van het werk ging hij naar huis om te eten.
  2. onderbreking van iets in het algemeen
    Een pauze in de gevechten.
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Meer informatie