pauze

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pau·ze
enkelvoud meervoud
naamwoord pauze pauzen
pauzes
verkleinwoord pauzetje pauzetjes

Zelfstandig naamwoord

pauze v/m

  1. tijd waarin de hoofdactiviteit wordt onderbroken
    • In de pauze van het werk ging hij naar huis om te eten. 
  2. onderbreking van iets in het algemeen
    • Een pauze in de gevechten. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie