Bahnhof

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • Bahn·hof
Naar frequentie 3022
enkelvoud meervoud
nominatief der Bahnhof die Bahnhöfe
genitief des Bahnhofs
des Bahnhofes
der Bahnhöfe
datief dem Bahnhof den Bahnhöfen
accusatief den Bahnhof die Bahnhöfe

Zelfstandig naamwoord

Bahnhof, m

  1. (verkeer), (spoorwegen) station
    «Viele Bahnhöfe, vor allem in kleineren Städten und Gemeinden, stehen heute leer.»
    Veel stations, vooral in kleinere steden en dorpen, zijn in onbruik geraakt.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen