lijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lijk
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘dood lichaam’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord lijk lijken
verkleinwoord lijkje lijkjes

Zelfstandig naamwoord

lijk o

  1. dood lichaam, met name van een mens
     Voordat ik weer in slaap viel kreeg ik de gedachte aan zeven verschrompelde lijken in gesmolten slaapzakken niet uit mijn hoofd.[3]
  2. (scheepvaart) tegenwoordig, een zijde van een zeil, vroeger de omzoomde zeilrand (zoomtouw) waarin een touw was ingenaaid
    • Het voorlijk van de fok wordt met leuvers aan de voorstag bevestigd. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Uitdrukkingen en gezegden
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
lijken

lijk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lijken
    • Ik lijk. 
  2. gebiedende wijs van lijken
    • Lijk! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lijken
    • Lijk je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen