schaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search
[1] Een schaar.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schaar
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘werktuig om te knippen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1]
  • In de betekenis van ‘menigte’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1080 [2]
  • In de betekenis van ‘aandeel in de meent’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 855 [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord schaar scharen
verkleinwoord schaartje schaartjes

Zelfstandig naamwoord

schaar v/m

  1. (gereedschap) gereedschap waarbij een tweetal langs elkaar snijdende messen een rechte of strakke snede maakt
  2. (zoötomie) de voorste ledematen van een kreeft of krab
  3. menigte, schare
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
scharen

schaar

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van scharen
    • Ik schaar. 
  2. gebiedende wijs van scharen
    • Schaar! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van scharen
    • Schaar je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen