hoog

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hoog
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen hoog hoger hoogst
verbogen hoge hogere hoogste
partitief hoogs hogers -

Bijvoeglijk naamwoord

hoog

  1. fysiek ver boven iets anders
  2. vergevorderd in een rangorde of volgorde
  3. (geluid) met een groot aantal trillingen per tijdseenheid
  4. met een groot aanzien
  5. (aardrijkskunde) meer boven de zeespiegel gelegen
    • de Hoge Ardennen 
  6. (aardrijkskunde) meer naar het Noorden gelegen
    • het Hoge Noorden 
Synoniemen
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
hogen

hoog

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hogen
    • Ik hoog. 
  2. gebiedende wijs van hogen
    • Hoog! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hogen
    • Hoog je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.


Afrikaans

stellend vergrotend overtreffend
hoog
hoë
hoër hoogste

Bijvoeglijk naamwoord

hoog

  1. hoog
    «Van 'n hoë dak afval.»
    Van een hoog dak afvallen.