hoognodig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hoog·no·dig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen hoognodig hoognodiger hoognodigst
verbogen hoognodige hoognodigere hoognodigste
partitief hoognodigs hoognodigers -

Bijvoeglijk naamwoord

hoognodig

  1. heel erg en direct nodig
    • Aan die ongelijkheid moet hoognodig een eind komen, vindt Thomsen, die de schuld deels bij de vrouwen zelf legt.[1] 
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC Henk Stouwdam 10 oktober 2016