hoogspringen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hoog·sprin·gen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hoogspringen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hoogspringen o het

  1. (sport) atletiekdiscipline waarbij het de bedoeling is over een tussen twee staanders bevestigde lat of touw te springen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
hoogspringen


onvolledig

Werkwoord

hoogspringen

  1. inergatief (sport) over een hooggeplaatste, tussen twee staanders bevestigde lat of touw proberen springen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie