aanzienlijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·zien·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen aanzienlijk aanzienlijker aanzienlijkst
verbogen aanzienlijke aanzienlijkere aanzienlijkste
partitief aanzienlijks aanzienlijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

aanzienlijk

  1. voornaam, groot, belangrijk, erg, niet te verwaarlozen
    Ze was een telg uit een van de aanzienlijkste families van Venetië.
    Met de handel in verdovende middelen zijn aanzienlijke bedragen gemoeid.
    Hoewel Nederland en Duitsland veel op elkaar lijken zijn de verschillen toch ook heel aanzienlijk.
Vertalingen