aanzienlijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·zien·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen aanzienlijk aanzienlijker aanzienlijkst
verbogen aanzienlijke aanzienlijkere aanzienlijkste
partitief aanzienlijks aanzienlijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

aanzienlijk

  1. voornaam, groot, belangrijk, erg, niet te verwaarlozen
    • Ze was een telg uit een van de aanzienlijkste families van Venetië. 
    • Met de handel in verdovende middelen zijn aanzienlijke bedragen gemoeid. 
     Ook zij was in het bezit van een aanzienlijke hoeveelheid gouden sieraden, zag Jeroen.[1]
  2. veel
     De perrons zijn verlaten, in de hal zitten de reizigers op gepaste afstand van elkaar op de wachtbanken, die anders vol zijn. Deze hele week is het al rustiger dan normaal, maar deze vrijdag is het echt opvallend stil, zegt een NS-medewerker. Toch nemen ook nog aanzienlijk wat mensen wél de trein.[2]
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  2. Bronlink Weblink bron Charlotte Huisman “Wie neemt er nog de trein op een stil Utrecht Centraal?” (13 maart 2020), de Volkskrant
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be