hoogmoed
Uiterlijk
- hoog·moed
- In de betekenis van ‘trots’ voor het eerst aangetroffen in 1470 [1]
- samenstelling van hoog en moed
- Afgeleid van het Middelnederlandse hoochmoet en hômoet, hetgeen is afgeleid van het Middelhoogduitse hochmuot. [2]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | hoogmoed | - |
| verkleinwoord | - | - |
de hoogmoed m
- overschatting van eigen kunnen
- Het is hoogmoed om te denken dat je wel even van die jongen wint.
- De hoogmoed die Trump voelde na de ontvoering van de Venezolaanse autocraat Nicolás Maduro en de meegaandheid van diens rompregime, lijkt hem blind te hebben gemaakt voor de gevaren die kleefden aan een volledige aanval op het grotere, meer strategische en ideologische Iran.[3]
Hoogmoed komt voor de val
- Misplaatste trots leidt tot ellende.
- Het woord hoogmoed staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "hoogmoed" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 98 % | van de Vlamingen.[4] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "hoogmoed" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ hoogmoed op website: Etymologiebank.nl
- ↑ www.nrc.nl (12 mrt 2026)
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be