Naar inhoud springen

hoogleraar

Uit WikiWoordenboek
  • hoog·le·raar
enkelvoud meervoud
naamwoord hoogleraar hoogleraars
hoogleraren
verkleinwoord hoogleraartje hoogleraartjes

dehoogleraarm

  1. (onderwijs), (beroep), (wetenschap) iemand met titel professor die aan een hogeschool of universiteit een leerstoel in een bepaald vak bekleedt en die het onderzoek en onderwijs in dit vak leidt
     Guillaume Budé nodigde hem uit in Parijs om de leiding op zich te nemen van het nieuwe humanistische college daar, kardinaal Ximenes wilde hem als hoogleraar benoemen aan de universiteit van Alcalá .[1]
     Tegen het eind van zijn studie, in januari 1869, pas 24 jaar oud en nog niet gepromoveerd, krijgt hij de vraag om hoogleraar te worden aan de universiteit van Bazel.[2]
    • Precies 150 jaar geleden sprak Robert Fruin hier zijn oratie uit als eerste hoogleraar Vaderlandse Geschiedenis in Leiden en daarmee tegelijk als eerste hoogleraar geschiedenis in Nederland.  
     Uiteindelijk verloor Buikhuisen ook de steun van de universiteit. Na enkele jaren vertrok de hoogleraar naar Spanje, waar hij antiekhandelaar werd.[3]
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]
  1. Jan Bloemendal
    “Erasmus” (2020), Athenaeum - Polak & Van Gennep op Wikipedia, ISBN 9789025312541
  2. Paul van Tongeren
    “Nietzsche” (2020), Amsterdam University Press op Wikipedia, ISBN 9789048529407
  3. Bronlink geraadpleegd op 11 mei 2025 Weblink bron “Criminoloog Wouter Buikhuisen (91) overleden” (10 mei 2025), NOS
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be