verhogen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·ho·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van hoog met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verhogen
verhoogde
verhoogd
zwak -d volledig

Werkwoord

verhogen

  1. overgankelijk hoger doen worden
    • De regering verhoogde de uitgaven ter stimulering van de economie. 
     De ECB zit daardoor in een spagaat: inflatie beteugelen door de rente te verhogen of een recessie voorkomen door de rente te verlagen.[1]
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

verhogen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord verhoog

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 10 juli 2022 Weblink bron “Euro voor het eerst in twintig jaar precies evenveel waard als dollar” (12 juli 2022), NU.nl
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be