high

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • high
Woordherkomst en -opbouw
  • van het Engels [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen high higher highst
verbogen

Bijvoeglijk naamwoord

high

  1. in een (euforische) toestand van veranderd bewustzijn verkeren (al dan niet door drugsgebruik) (-> high worden of high zijn)
    • na urenlang mountainbiken in de bergen was hij helemaal high geworden 
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Uitspraak

Bijvoeglijk naamwoord

high

  1. hoog