high

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • high
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen high higher highst
verbogen

Bijvoeglijk naamwoord

high

  1. (spreektaal) in een euforische toestand van veranderd bewustzijn verkerend (al dan niet door drugsgebruik)
    • na urenlang mountainbiken in de bergen was hij helemaal high geworden 
     Een aantal jongens had voor vertrek magic mushrooms genomen om de nacht nog magischer te maken. Ze genoten van hun psychedelische trip en vertelden uitgebreid over alle mooie kleuren die ze zagen. Een van hen werd echter al snel zo high dat hij de verkeerde kant op liep.[2]
Typische woordcombinaties
  • high worden
  • high zijn
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. high op website: Etymologiebank.nl
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Engels

Uitspraak

Bijvoeglijk naamwoord

high

  1. hoog