hoogfeest

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hoog·feest
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hoogfeest hoogfeesten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hoogfeest o [1]

  1. belangrijk feest
    • De organisatoren van de Olympische Spelen in Londen hebben vandaag, exact zes maanden voor de start van het sportieve hoogfeest, een eerste toelichting gegeven bij de openingsceremonie. Die zal 'Isles of Wonder' heten en is geïnspireerd door het stuk 'The Tempest' van William Shakespeare. [2] 
  2. (religie) de belangrijkste kerkelijke dagen in de katholieke kerk
    • In de Plechelmusbasiliek wordt aanstaande zondag de Latijnse vespers van het hoogfeest van Allerheiligen gezongen door de Schola Cantorum Twente onder leiding van Guus Goorhuis. [3] 
    • De aartsbisschop wijst erop dat Tweede Pinksterdag geen kerkelijke feestdag is: ,,Alleen Pinksterzondag, Eerste Pinksterdag, is volgens de kerk een hoogfeest. De kerk kent eigenlijk geen Tweede Pinksterdag. Die hebben we wel hier in Noord-West-Europa, maar ik heb in Rome gestudeerd een aantal jaren en toen moest ik gewoon op Tweede Pinksterdag naar colleges op de pauselijke universiteit. Want daar was het geen vrije dag." [4] 
Hyponiemen

Gangbaarheid

65 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen