fysiek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fy·siek
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘van de natuur, lichamelijk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1723 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen fysiek fysieker fysiekst
verbogen fysieke fysiekere fysiekste
partitief fysieks fysiekers -

Bijvoeglijk naamwoord

fysiek

  1. betrekking hebbend op de stoffelijke natuur' of 'betrekking hebbend op de natuurlijke gesteldheid (van het lichaam)', 'lichamelijk.

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen