rel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rel
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘opstootje’ voor het eerst aangetroffen in 1559 [1]
  • [1][2]: Pas in Nieuwnederlands, mogelijk van Middelnederlands rallen: luid praten, rammelen. [2]
  • [3][4]: Nevenvorm van ril. [3][4]
enkelvoud meervoud
naamwoord rel rellen
verkleinwoord relletje relletjes

Zelfstandig naamwoord

rel m

  1. een verstoring van de openbare orde door een menigte, meestal gepaard gaand met geweld en politieoptreden [2]
    • Na de geruchtmakende arrestatie van die bekende leider kwam het tot relletjes. 
  2. (figuurlijk) gebeurtenis die opschudding wekt
     De moord leidde tot een diplomatieke rel tussen Duitsland en Rusland. Duitsland zette in december twee Russische diplomaten uit. Moskou beantwoordde dat met de uitwijzing van twee Duitse diplomaten.[5]
  3. (dierkunde) (verouderd) gang van muis en andere knaagdieren
  4. (meestal in samenstellingen) een ondiepe, gegraven geul in de duinen waarin zich kwelwater kan verzamelen
    • Deze rel is ideaal voor salamanders, kikkers en padden, maar ook vogels komen er graag. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
rellen

rel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rellen
    • Ik rel. 
  2. gebiedende wijs van rellen
    • Rel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rellen
    • Rel je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen