har

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Haarhår

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • har
enkelvoud meervoud
naamwoord har harren
verkleinwoord harretje harretjes

Zelfstandig naamwoord

har v/m

  1. scharnier


Deens

Woordafbreking
  • har
Naar frequentie 10

Werkwoord

har

  1. tegenwoordige tijd van have


Baskisch

Zelfstandig naamwoord

har

  1. (dierkunde) worm


Noors

Woordafbreking
  • har
Naar frequentie 9

Werkwoord

har

  1. tegenwoordige tijd van ha


Nynorsk

Woordafbreking
  • har

Werkwoord

har

  1. tegenwoordige tijd van ha

Werkwoord

har

  1. gebiedende wijs van hare


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • har
Naar frequentie 9

Werkwoord

har

  1. tegenwoordige tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van ha
    «…jag har…»
    …ik heb…
    «Jag har en bil.»
    Ik heb een auto.
    «…du har…»
    …jij hebt…
    «Du har en bil.»
    Jij hebt een auto.
    «…hon har…»
    …zij heeft…
    «Hon har en bil.»
    Zij heeft een auto.
    «…vi har…»
    …wij hebben…
    «Vi har en bil.»
    Wij hebben een auto.
    «…ni har…»
    …jullie hebben…
    «Ni har en bil.»
    Jullie hebben een auto.
    «…ni har…»
    …u heeft…
    «Ni har en bil.»
    U heeft een auto.
    «…de har…»
    …zij hebben…
    «De har en bil.»
    Zij hebben een auto.