zo

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: zo.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zo
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

zo

  1. op die manier
    We zijn zo door dat gat naar de overkant gekropen.
  2. over niet al te lange tijd
    Heb je zo even tijd om naar mijn document te kijken?
Schrijfwijzen
  • zoo (spelling tot 1946/47)

Tussenwerpsel

  1. uiting van verbazing en/of misnoegen
    "Zo, ben je daar eindelijk, waar bleef je nou?"
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: zo gezegd, zo gedaan
het is gegaan, zoals het was besproken
  • [2]: dat is zo gepiept
dat is in een oogwenk gebeurt
  • [2]: het is maar zo, zo
het is maar matig, niet veel zaaks
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

zo m

  1. (afkorting), (tijdrekening), (dag) zondag, de tweede dag van het weekeinde
    «Open: di, wo, do, vr; dicht: za, zo, ma.»
    Geopend op dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag; gesloten op zaterdag, zondag en maandag.
Opmerkingen
  • Echte afkortingen worden als regel met een punt geschreven: zo., maar in opsommingen waar uit de context al duidelijk is dat het om de naam van een weekdag gaat is het gebruikelijk om de punt weg te laten[3].
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. Afkortingen van de dagen van de week op website: taaladvies.net; geraadpleegd 2016-10-26

Meer informatie