zien

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zien
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: sien
Oudnederlands: sian
Germaans: *sehwanan
Indo-Europees: *sekʷ-
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: see (Angelsaksisch: sēon), Duits: sehen, (Oudhoogduits: sehan), Fries: sjen (Oudfries: sīa)
Noord: Zweeds/Deens/Noors: se, (Nynorsk: sjå, Oudnoors: séa, sjá), IJslands: sjá, Faeröers: síggja, sjá
Oost: Gotisch: saihwan
  • Verwant in Romaans:
Latijn: sequi
  • Verwant in Baltisch:
Litouws: sèkti
  • Verwant in Indo-Arisch:
Sanskriet: sácate
  • Verwant in Anatolisch:
Hettitisch: sakuwa, sakuwai
Oost-Tochaars: šotre
West-Tochaars: šotri
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zien
zag
gezien
klasse 5 volledig

Werkwoord

zien

  1. (overgankelijk) waarnemen met het oog
    Ik kan die afbeelding van zo'n afstand niet goed zien.
  2. (inergatief) het vermogen hebben om met het oog waar te nemen
    Hij was dolblij dat hij na het ernstige ongeluk toch nog kon zien.
  3. een bepaald gezicht zetten/trekken
    Hij zag erg boos.
  4. (wederkerend) (hulpwerkwoord) zich + volt. deelwoord + ~: maakt een wederkerende constructie
    De stad zag zich overspoeld met enthousiaste aanhangers van beide clubs.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Spreekwoorden
  • blauw zien (van de koude)
het heel koud hebben
  • iets over het hoofd zien
Vertalingen