zag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zag

Werkwoord

vervoeging van
zien

zag

  1. enkelvoud verleden tijd van zien
    • Ik zag. 
    • Jij zag. 
    • Hij, zij, het zag. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.