ziende

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zien·de
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ziende zienden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

ziende v/m [1]

  1. iemand die ziet of kan zien
Antoniemen

Bijvoeglijk naamwoord

ziende

  1. verbogen vorm van de stellende trap van ziend

Deelwoord

ziende

  1. verbogen vorm van het onvoltooid deelwoord ziend van zien
Uitdrukkingen en gezegden
  • Ziende blind zijn
bijvoorbeeld iemand wel kennen maar toch niet de verkeerde eigenschappen zien


Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen