eruitzien

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • er·uit·zien
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
eruitzien
zag eruit
eruitgezien
klasse 5

onregelmatig

volledig

Werkwoord

eruitzien

  1. absoluut het aanschijn hebben
    • Wat zie jij eruit! 
    • Hij zag er heel slecht uit. 
    • De bezorgde dokter vertelde ons dat het er slecht uitziet voor de patiënt. 
Vertalingen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.