overzien

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·zien
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overzien
overzag
overzien
klasse 5

onregelmatig

volledig

Werkwoord

overzien

  1. alles tegelijk kunnen zien
    • Hij overzag alle gevaren in één oogopslag. 
     `Vind je niet dat Venetië ook iets triests heeft? Als je Piazza San Marco zo overziet, zou je objectief gezien moeten vaststellen dat het er druk is. Toch maakt het plein een wezenloze en verlaten indruk, alsof het met zijn gedachten ergens anders is.[2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overzien
zag over
overgezien
klasse 5

onregelmatig

volledig
Vertalingen

Werkwoord

overzien

  1. overgankelijk met het oog doorlopen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
overzien

overzien

  1. voltooid deelwoord van overzien

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen