se

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Se

Afrikaans

Uitspraak
  enkelvoud meervoud
bijvoeglijk zelfstandig bijvoeglijk zelfstandig
1e persoon my myne ons ons s'n
2e persoon
(informeel)
jou joune jul
julle
julle s'n
2e persoon
(formeel)
u u s'n u u s'n
3e persoon
(mannelijk)
sy syne hul
hulle
hulle s'n
3e persoon
(vrouwelijk)
haar hare hul
hulle
hulle s'n
3e persoon
(onzijdig)
sy syne hul
hulle
hulle s'n
Achtergeplaatste vormen
se s'n

Bezittelijk voornaamwoord

se

  1. z'n, d'r, vormt achtergeplaatst een bezitsrelatie tussen twee naamwoorden
    «Dit is pa se pyp.»
    Dit is vaders pijp.
    «Wie se kar is dit?»
    Wiens auto is dis?
    «R50.- se vleis.»
    Vijftig rand aan vlees.



Deens

Uitspraak
  • IPA: / seː /
Woordafbreking
  • se
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Ouddeense werkwoord se
Naar frequentie 52
stamtijd
onbepaalde
wijs
tegenwoordige
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
se
ser

set
volledig

Werkwoord

se

  1. zien
    «Jeg har set en bjørn
    Ik heb een beer gezien.
    «Har du set en god film kampesten?»
    Hebt u een kei goeie film gezien?


Frans

Uitspraak

Persoonlijk voornaamwoord

nominatief genitief datief accusatief benadrukt
se - se se soi

se

  1. 3e persoon enkelvoud en meervoud, wederkerend of wederkerig gebruikt. - zich, elkaar


Italiaans

Voegwoord

se

  1. als, indien
    «Se avessi fatto come ti dicevo, lei ci sarebbe stata!»
    Als je gehandeld had zoals ik je zei, dan zou zij er geweest zijn!
Spreekwoorden
  • Dei se e dei ma son piene le fosse.
Na de feiten is het gemakkelijk om allerlei veronderstellingen en bezwaren te uiten. (letterlijk: De graven zitten vol als'en en maar'en.)


Koerdisch

Zelfstandig naamwoord

se

  1. hond


Latijn

Persoonlijk voornaamwoord

enkelvoud
meervoud
nominatief -
accusatief sē, sēsē
genitief suī
datief sibi
ablatief sē, sēsē

  1. zich, zichzelf (reflexief in een hoofdzin, slaat terug op het onderwerp van die hoofdzin)
    «Māter in speculō videt.»
    Moeder ziet zich in de spiegel.
    « amat.»
    Hij houdt van zichzelf.
  2. hij, zij, het (reflexief in een bijzin, slaat terug op het onderwerp van de hoofdzin)
    «Dux dīcit cōpiās vīcisse.»
    De leider zegt dat hij de troepen heeft overwonnen.
Verwante begrippen
  • sēsē (versterkt)
  • is (niet-reflexief gebruikt)


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /sɐ/ (Etsbergs)
Woordherkomst en -opbouw
  • Verzwakking van sóm

Persoonlijk voornaamwoord

se

  1. onbeklemtoonde nominatief van doe


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • se
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoordse woord sjá
Naar frequentie 56
vervoeging
onbepaalde wijs se
tegenwoordige tijd ser
verleden tijd
voltooid
deelwoord
sett
onvoltooid
deelwoord
seende
lijdende vorm ses
sees
gebiedende wijs se
vervoegingsklasse onregelmatig
opmerking

Werkwoord

se

  1. (onovergankelijk) zien
    «Se der, nå regner det.»
    Zie daar, het regent nu.
  2. (onovergankelijk) kijken
    «Katter ser godt i mørke.»
    Katten zien goed in het donker.
  3. (overgankelijk) bekijken
    «Sånn sett er alt i orden.»
    Zo gezien is alles in orde.
Synoniemen
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden


Zweeds

Uitspraak
Naar frequentie 78
stamtijd
infinitief verleden
tijd
supinum
se
såg
sett
volledig

Werkwoord

se

  1. zien