afzien

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·zien
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afzien
'ɑfsin


zag af
zɑx ʔɑf


afgezien
'afɣəzin


klasse 5 volledig

Werkwoord

afzien

  1. (inergatief) ~ van: besluiten iets niet te doen
    Hij zag af van zijn voornemen.
  2. (inergatief) lijden, ongemak doorstaan, o.a. in de sport
    Die laatste ronde was puur afzien.
  3. spieken, afkijken
    De student haalde hoge cijfers omdat hij zoveel af zag.
Vertalingen