omzien

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·zien
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omzien
zag om
omgezien
klasse 5

onregelmatig

volledig

Werkwoord

omzien

  1. inergatief naar ~: zorgen voor
    • Er is niemand die omziet naar de armen in de samenleving. 
  2. inergatief in terugwaartse richting blikken
    • Toen hij omzag zag hij haar zwaaien. 
Synoniemen
enkelvoud meervoud
naamwoord omzien -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

omzien o

  1. een hele korte periode
    • In een omzien stonden de tafel en stoelen weer op zijn plek. 
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.