terugzien

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·rug·zien
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
terugzien
zag terug
teruggezien
klasse 5

onregelmatig

volledig

Werkwoord

terugzien

  1. overgankelijk na geruime tijd opnieuw zien
    • Hij had hem na jaren toch weer eens teruggezien. 
    • Ze wisten, dat ze hen nooit meer zouden terugzien. [1] 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 116