moeder

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • moe·der
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van: [1]
Middelnederlands: moder
Oudnederlands: muoder
Germaans: *mōdēr
Indo-Europees: *méh₂tēr
  • Verwant in Germaans:
West: Nedersaksisch: Modder, Mudder (Oudsaksisch: mōdar), Engels: mother (Oudengels: mōdor), Fries: moer, moar, Saterfries: muur (Oudfries: mōder), Duits: Mutter (Oudhoogduits: muotar)
Noord: Zweeds/Deens/Noors: mor, moder, IJslands/Faeröers: móðir (Oudnoords: móðir)
Oost: Gotisch: modar
enkelvoud meervoud
naamwoord moeder moeders
verkleinwoord moedertje moedertjes

Zelfstandig naamwoord

moeder v

  1. (familie) een vrouwelijke ouder
  2. persoon of zaak die op een moeder lijkt omdat dit het oorspronkelijk voortbrengende is bijv. moederbedrijf
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • bij moeders pappot blijven
niet verder kijken dan het eigen huis
  • daar helpt geen lieve moeder aan
daar helpen zelfs lieve woordjes niet
  • voorzichtigheid is de moeder van de porseleinkast
door voorzichtheid ontstaat er geen schade
  • zo moeder zo dochter
een vrouw lijkt op haar moeder


Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Middelnederlands

enkelvoud meervoud
nominatief moeder moeder
genitief moeder moed(e)re
datief moeder moed(e)ren
accusatief moeder moeder

Zelfstandig naamwoord

moeder v

  1. moeder