mater

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: mâterMater

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ma·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord mater maters
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

mater v

  1. (religie) (rooms-katholiek) vrouw die aan het hoofd van een klooster staat
    • De Bils was in de zomer van 1663 gevraagd om in Den Bosch het lijk te onderzoeken van een non, die reeds in 1658 was gestorven. Het ging om de edelvrouwe Maria Margaretha van Valckenisse, mater van een klooster in Oirschot. [3]
  2. (plantkunde) (verouderd) moederkruid Tanacetum parthenium op Wikispecies, vroeger wel gebruikt voor het opwekken van weeën en het tegengaan van kraamvrouwenkoorts
    • Mater wast gheerne in drooghe plaetsen by oude mueren en dijer ghelijcken rouwe plaetsen. [4]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

naar de vorm, ook ontleend aan het Latijn

Anagrammen

Gangbaarheid

67 % van de Nederlanders;
72 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Frans

Uitspraak

Werkwoord

mater

  1. (spreektaal) kijken
    «Mate la fille en mini-jupe!»
    Kijk 's naar dat meisje in minirok! [1]
  2. (spreektaal) opletten, in de gaten houden
    «Tu mates pendant que j’m’occupe du casier du prof!»
    Jij staat op de uitkijk terwijl ik me bezig houd met het postvakje van de leraar! [1]
Anagrammen
Schrijfwijzen

Verwijzingen


Latijn

Uitspraak
Woordafbreking
  • ma·ter

Zelfstandig naamwoord

māter v

  1. (familie) moeder
Verbuiging
Overerving en ontlening


Middelnederlands

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

mater v

  1. mater
Overerving en ontlening

Verwijzingen