mamma

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mam·ma
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord mamma mamma's
verkleinwoord mammaatje mammaatjes

Zelfstandig naamwoord

mamma v

  1. (informeel) benaming voor vrouwelijke ouder door haar kind
    • Gierend van het lachen gingen we naar beneden, om te ontbijten. Pappa en mamma zaten al aan tafel. Ze probeerden met vertrokken gezichten streng te kijken. ‘Wie heeft dat op zijn geweten?’ vroeg pappa, maar lachte door zijn frons heen. [3]
  2. (medisch) borst van een vrouw met daarin de melkklieren
    • Op 5 maart 2008 werd klaagster door haar huisarts aangemeld bij de mammapoli in verband met verdichting in de linker mamma. [4]
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders
49 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Everdingen, J. van & A. van den Eerenbeemt (eds.) Pinkhof Geneeskundig woordenboek 12e druk (2012) Bohn Stafleu van Loghum, Houten; ISBN 978 90 313 9121 9
  3. Thijssen, J. "De bok met de vergulde horens" in: Parmentier. jrg. 11 nr. 4 (2002) Stichting Parmentier, Nijmegen; p. 65; geraadpleegd 2018-10-10
  4. Regionaal Tuchtcollege te Zwolle "uitspraak 22-03-2013 in zaak 094-2012" (22 maart 2013) op website: rechtspraak.nl; geraadpleegd 2018-10-10


IJslands

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

mamma v

  1. (familie) mama


Latijn

Zelfstandig naamwoord

mamma v

  1. borst
  2. uier
  3. knop (van een plant)
  4. (Martialis) mama, moeder
Afgeleide begrippen
Verbuiging



Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • mam·ma

Zelfstandig naamwoord

mamma g

  1. (familie) mama, moeder
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   mamma     mamman     mammor     mammorna  
genitief   mammas     mammans     mammors     mammornas  
Synoniemen
Afgeleide begrippen