gezin

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een gezin aan de eettafel.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·zin
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gezin gezinnen
verkleinwoord gezinnetje gezinnetjes

Zelfstandig naamwoord

gezin o

  1. (familie) een huishouden bestaande uit een man, een vrouw en kinderen
    • Ons gezin gaat één keer per jaar op vakantie. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • een gezin stichten
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen