gezin

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een gezin aan de eettafel.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·zin
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gezin gezinnen
verkleinwoord gezinnetje gezinnetjes

Zelfstandig naamwoord

gezin o

  1. (familie) een huishouden bestaande uit een man, een vrouw en kinderen
    • Ons gezin gaat één keer per jaar op vakantie. 
     Franse kinderen schreeuwen niet
    Terwijl Nederlandse moeders over het strand schallen: 'Kevin, hiieeerrr kooomeeen…’, praten Franse moeders alleen op gedempte toon met hun kinderen. Sterker nog; ik heb een heel gezin naast ons een hele dag lang alleen op fluistertoon met elkaar horen praten. Niemand viel uit zijn of haar rol. Heerlijk rustig. Waarom moeten wij eigenlijk altijd zo tetteren?
    [3]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • een gezin stichten
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen