mat

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
2. rechthoekig stuk vloerbekleding
3. oude munt (Spaanse mat van Philips IV)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mat
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord mat matten
verkleinwoord matje matjes

Zelfstandig naamwoord

mat

  1. v/m vlechtwerk of stug weefsel dat als afscherming of als beschermlaag voor een oppervlak dient
    • Hij talmde niet; met al 't geweld van zijn handen rukte hij aan de rieten mat die de loods afsloot, (…) [4]
  2. v/m meestal rechthoekig stuk vloerbekleding
    • Ik zal die mat eens goed uitkloppen. 
  3. m (numismatiek) oude munt
    • (…) die had er veel Spaanse matten aan boord (…) [5]
    • Tot de gangbare gouden matten behoort, althans in de eerste jaren van de 17e eeuw, de Fransche kroon van Carolus ƒ 3.1, (…) [6]
  4. o (schaak) situatie in het schaakspel waarin de koning het schaak niet meer kan ontlopen en het spel hierdoor tevens afgelopen is [7]
    • Dit is in drie zetten mat. 
  5. (weinig gebruikt:) weide [8]
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen mat matter matst
verbogen matte mattere matste
partitief mats matters -

Bijvoeglijk naamwoord

mat

  1. niet glanzend, dof [9]
  2. (spel) zich in het schaakspel een verloren stand bevindend, waarin de koning in de volgende zet geslagen kan worden
    • De koning staat mat. 
  3. niet al te vrolijke stemming, vermoeid, down [10]
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
meten

mat

  1. enkelvoud verleden tijd van meten
    • Ik mat. 
    • Jij mat. 
    • Hij, zij, het mat. 
vervoeging van
matten

mat

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van matten
  2. gebiedende wijs van matten

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl
  3. Gouw, J.E. ter "De munt in de Volkstaal, deel VI" in: Tijdschrift van het Nederlandsch Genootschap voor Munt- en Penningkunde jrg.14 (1906) Johannes Müller, Amsterdam; p. 197; geraadpleegd 2016-11-15
  4. Meyere, V. de Langs den stroom. (1903) W.L. & J. Brusse, Rotterdam; p. 136; geraadpleegd 2016-11-15
  5. Heije, J.P. De Zilvervloot (1844)
  6. Schotel, G.D.J. Het maatschappelijk leven onzer vaderen in de zeventiende eeuw. 2e druk (1869) A.W. Sijthoff, Leiden; p. 240;
  7. etymologiebank.nl
  8. etymologiebank.nl
  9. etymologiebank.nl
  10. etymologiebank.nl


Bretons

Bijvoeglijk naamwoord

mat

  1. goed


IJslands

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

mat

  1. datief onbepaald mannelijk enkelvoud van matur

mat

  1. accusatief onbepaald mannelijk enkelvoud van matur


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /mɑt/ (Etsbergs)

Bijvoeglijk naamwoord

mat

  1. kleurloos
  2. grijsachtig


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • mat
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord matr.
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   mat     maten          
genitief   mats     matens              

Zelfstandig naamwoord

mat m

  1. (voeding) eten, voedsel
    «Vi leverer mat med høy kvalitet til fornuftig pris.»
    Wij leveren voedsel van een hoge kwaliteit tegen een redelijke prijs.
Afgeleide begrippen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • mat
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord matr.
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   mat     maten              
genitief                        

Zelfstandig naamwoord

mat m

  1. (voeding) eten, voedsel


Wolof

Uitspraak

Bijvoeglijk naamwoord

mat

  1. volledig, compleet


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • mat
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   mat     maten     -     -  
genitief   mats     matens     -     -  

Zelfstandig naamwoord

mat g

  1. (voeding) eten, voedsel
Afgeleide begrippen