meten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • me·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
meten
mat
gemeten
klasse 5 volledig

Werkwoord

meten

  1. (overgankelijk) de waarde van een bepaalde grootheid bepalen door deze te vergelijken met een ijkwaarde
    Hij mat de lengte van de kamer met een meetlat.
  2. een maat hebben
    Hij meet wel twee meter.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Met passen en meten wordt de meeste tijd versleten
  • Meten is weten
  • Met twee maten meten
Discrimineren
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

meten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord meet

Spaans

Werkwoord

vervoeging van
meter

meten

  1. derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van meter