meten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • me·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘een maat bepalen’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
meten
mat
(meette[3])
gemeten
klasse 5

zwak -t
gemengd

volledig

Werkwoord

meten

  1. overgankelijk de waarde van een bepaalde grootheid bepalen door deze te vergelijken met een ijkwaarde
    • Hij mat de lengte van de kamer met een meetlat. 
  2. een maat hebben
    • Hij meet wel twee meter. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Met passen en meten wordt de meeste tijd versleten
  • Meten is weten
  • Met twee maten meten
Discrimineren
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

meten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord meet

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
meter

meten

  1. derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van meter
vervoeging van
meterse

meten

  1. derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van meterse